Met vier kropen we bij jou in bed. We hadden op de klok zitten kijken tot het zo laat was dat we uit ons bed mochten. Dan kropen we uit ons bed, liepen we door de kamer de gang op. Met veel gejoel en enthousiasme kropen we op het bed waarin je lag te slapen. Beneden was er al leven, opa die van de bakker kwam en callix die mee liep. Ondertussen kropen wij mee in bed, wat we daar deden? Dat weet ik niet goed meer, praten, lachen, plezier maken.
De laatste tijd, zat ik veel aan je bed. Het was niet noodzakelijk jou bed maar toch. Je bleef er veel in liggen, slapen, wakker worden en weer opstaan. Wij bleven zitten en bleven praten. We waren daarom niet met vier, meestal met twee. Elke keer weer zaten we naast jou, jij in de zetel of in bed. Dat laatste jaar, dat was het zwaarste jaar. Maar eigenlijk, de zotte jaren zijn er altijd geweest hé. Hoevaak heb je niet zitten lachen? Hoevaak heb je wel niet zitten vertellen en zitten lachen. Met papa, mama, mij, robin. Koen of kaat, nicolai… Wie dan ook je had altijd wel iets te vertellen en je kon altijd lachen.
Zelfs dingen dat ik vergeten was, wist jij me te vertellen. Vroeger stond je elke vrijdag aan de poort dan konden we mee tot bij jou thuis! We aten frietjes met wat we maar ook wilde. In de vakantie, dan trokken we naar Leuven of de zee. Bus trein tram, niets was te veel. We lachte en maakte plezier en af en toe kwam dat bed terug. Elke keer in de winkel kregen we iets kleins, al moesten we dan wel braaf zijn. Maar echt boos? Dat kon je nooit op ons zijn. Neen, daarvoor hield je veel te veel van het lachen denk ik. Je kon eens goed duidelijk maken dat we toch maar goed konden klungelen. Net zoals de mama of de papa, we hadden het van geen vreemde. Maar dan begon je toch weer te lachen.
Maar het was niet alleen met ons, de kinderen of opa. Zelfs met je eigen kon je goed lachen. De keren dat je met de brommer viel en iets brak. Of wanneer je de frituurketel weer eens op het vuur had gezet waardoor hij begon te smelten. Of hoe je de kinderen eens op stang kon jagen. Hoe je peter keer op keer deed verschieten wanneer je iets voor had. Wanneer je met kerst van de tafel viel. Een ongelukje met de brommer, weeral. Al kon je er zelf steeds mee lachen. Keer op keer begon je opnieuw wat dan ook.
Je gaf niet op, geen ene keer. Niet naast het bed van Peter, niet met de brommer, met niets. Zelfs nu heb je lang en stevig gevochten. Toch moest je deze keer opgeven, maar je bent toch de winnaar. Je hebt zelf gekozen voor het moment, je wist zeker dat iedereen kon lachen. Elk kind, elk kleinkind had zijn pad waarop hij met een lach kon vertrekken. En zelf heb je nu ook jou pad gekozen. De weg van Peter, de weg van Callix. De weg die je nu laat rusten en van al de pijn ontziet.