Brothers in Arms
Een taxi rijd met gierende bande over de veldweg. Een stofwolk valt achter de wagen neer en blijft ruisloos liggen. In de wagen zit de dronken ambassadeur van de Verenigde Verloren Staten. Misschien zal de chauffeur zich afvragen waar die man vandaan komt. Maar die vraag is dan misschien minder erg als die van zijn persoonlijke chauffeur. Die staat nog steeds aan het kasteel bij zijn wagen. Een sigaret in zijn mond en begint zich stilaan de vraag te stellen: “Waar is die man toch?”. Het is een belangrijke vraag, toch op dat moment. Een vraag die binnen dat moment en het komende uur zal opgelost zijn. De vraag dat het nodige onnodige belang krijgt terwijl er meer is op die veldweg dan die wagen met de belangrijke persoon in. De volgende dag staat er iemand op met een gigantische kater, twee anderen zullen opstaan met een aardige extra in hun vals lederen porteffuile. En toch is het dan vermoedelijk nog niet opgelost. Zeker niet….
Want in het gras in de duisternis, bevuilt met wat opvliegend zand klinkt machteloos gekreun. Krapmachtige grepen naar het gras in de rand en al even krampachtige sroten met de voeten moeten de redding brengen. Wanneer na vele pogingen het dan toch lukt slaat de wanhoop wederom toe. Wanneer de zwarte kraalogen geen enig punt vinden. Geen enkel punt dat ze herkennen om heen te stappen. Wat wil je ook? Je ziet ook nooit waar je komt en gaat. Meestal lig je neer in de wagen en voel je het kwijl over je gezicht gaan. Of word je hoofd door mekaar geslagen door een stevige vuistslag. Toch denk, weet of hoop je dat het goed bedoeld is. Kan toch ook niet anders? Wat zou iemand dat dagelijks het bed met je deelt slagen? Hoewel de radeloosheid groot is zal de opdracht vervult worden. Het geen wat gezocht is vinden of zelf gevonden worden. De queeste, de missie en dat zonder reisgenoten. De reisgenoten zijn immers gescheiden van mekaar hoe veel pijn het ook wel zal doen of gedaan hebben.
De andere reisgenoot, die soms zo boosaardig leek te zijn is radeloos. Net zoals zijn reisgenoot, die radeloos over het veldwegje zit te dwalen. De ene loopt in de hoop te vinden of gevonden te worden, de andere staat. Hij staat al schreeuwend en bulderend achter zijn tralis te tieren om zijn reisgenoot. De vriend, kompaan die steeds mee reist en des avonds mee tussen de wol duikt. Zich trots aan de belofte houd om nooit weg te gaan in de donker. Belooft om de reisgenoot alleen te laten in de kamer. Nooit ergens alleen gelaten te worden. En toch is het gebeurd. Maar dat tot ongenoegen van de reisgenoten. Hij staat nog steeds te bulderen achter zijn tralies terwijl het water over zijn wangen stroomt. De troostende woorden die hem ingefluisterd worden door zijn meest geliefde levensgezel helpen niet. Noch van haar noch van haar man, ookal beloven ze zoveel goeds aan hem. Zijn reisgenoot moet simpelweg gevonden worden. Want hijzelf kan niet gevonden worden. Hij is op de plek waar hij moet zijn. Het duurt echter uren voor hij de slaap kan vatten. Te moe door al het huilen en schreeuwen. Net zoals de twee mensen die hem probeerde te troosten. In een wanhoopsdaad nog de wagen namen en zijn gaan zoeken. Maar helaas, ze vonden niet wat ze zochten en keerden zonder enig resultaat weer huiswaarts.
De reisgenoten lijken gescheiden te zijn voor het leven. Thuis volgen de slapenloze nachten zich op. Net zoals de eindeloze zoektochten naar het huis voor zijn reisgenoot. Het is echter niet simpel om als ruisgenoot naar huis te stappen als je beentjes zo klein zijn. Je geen neusgaten meer hebt en enkel in de nacht kan reizen. Tot het dan toch eens gebeurd. Op een dag is de wens om gevonden te worden vervuld. Helaas, de persoon dat je vind is al op pensioen, woont alleen en heeft een raar geurtje. Maar toch is het geen einde voor de reisgenoten. Het onverwachte en onverhoopte gebeurd. Wanneer er een klein papier met “gevonden” in de winkel komt samen met een polaroid foto. De reisgenoot staat er op, zijn puntige oren, pluizige vacht en witte staart. Hij ziet er wel vuil uit, maar herkenbaar. Zijn partner weet het helemaal niet. Pas in de late avond komt hij het te weten. Wanneer de zware deur thuis dichtval en de man die hij vader noemt de woonkamer binnenkomt. Een dramatisch weerzien, reisgenoten waardig. ’s Avonds keert de rust terug thuis, in de kinderkamer zijn de tralissen weer een bed van rust. De tanden knagen in de puntige oren terwijl het speeksel ongewild over het pluizige gezicht vloeit. In de slaapkamer van de ouders, wel daar heerst nu nog geen rust. Maar die rust zal een paar maand daarna wederom verstoord worden.
In het kasteel van de graaf heerst er nog steeds rust, want zijn reisgenoot in zijn leven is nog steeds aanwezig. Op een kast staat hij, versleten met heel zijn trotse lichaam te pronken. In de warmte van enkele kaarsen en toch veilig zodat hij mij niet snel zal verlaten. Maar toch gebeurd het wel eens dat je langs de kant van de weg een reisgenoot ziet liggen. De Graaf geeft toe dat hij deze laat liggen, maar pas op dit is echter met een reden. Wanneer er iemand opzoek gaat naar deze reisgenoot. Dan wil ik niet de persoon zijn die hem meeneemt van zijn vertrouwde plek….
Gegroet, De Graaf