Saturday, April 22, 2006

Brothers in Arms

Een taxi rijd met gierende bande over de veldweg. Een stofwolk valt achter de wagen neer en blijft ruisloos liggen. In de wagen zit de dronken ambassadeur van de Verenigde Verloren Staten. Misschien zal de chauffeur zich afvragen waar die man vandaan komt. Maar die vraag is dan misschien minder erg als die van zijn persoonlijke chauffeur. Die staat nog steeds aan het kasteel bij zijn wagen. Een sigaret in zijn mond en begint zich stilaan de vraag te stellen: “Waar is die man toch?”. Het is een belangrijke vraag, toch op dat moment. Een vraag die binnen dat moment en het komende uur zal opgelost zijn. De vraag dat het nodige onnodige belang krijgt terwijl er meer is op die veldweg dan die wagen met de belangrijke persoon in. De volgende dag staat er iemand op met een gigantische kater, twee anderen zullen opstaan met een aardige extra in hun vals lederen porteffuile. En toch is het dan vermoedelijk nog niet opgelost. Zeker niet….

 

Want in het gras in de duisternis, bevuilt met wat opvliegend zand klinkt machteloos gekreun. Krapmachtige grepen naar het gras in de rand en al even krampachtige sroten met de voeten moeten de redding brengen. Wanneer na vele pogingen het dan toch lukt slaat de wanhoop wederom toe. Wanneer de zwarte kraalogen geen enig punt vinden. Geen enkel punt dat ze herkennen om heen te stappen. Wat wil je ook? Je ziet ook nooit waar je komt en gaat. Meestal lig je neer in de wagen en voel je het kwijl over je gezicht gaan. Of word je hoofd door mekaar geslagen door een stevige vuistslag. Toch denk, weet of hoop je dat het goed bedoeld is. Kan toch ook niet anders? Wat zou iemand dat dagelijks het bed met je deelt slagen? Hoewel de radeloosheid groot is zal de opdracht vervult worden. Het geen wat gezocht is vinden of zelf gevonden worden. De queeste, de missie en dat zonder reisgenoten. De reisgenoten zijn immers gescheiden van mekaar hoe veel pijn het ook wel zal doen of gedaan hebben.

De andere reisgenoot, die soms zo boosaardig leek te zijn is radeloos. Net zoals zijn reisgenoot, die radeloos over het veldwegje zit te dwalen. De ene loopt in de hoop te vinden of gevonden te worden, de andere staat. Hij staat al schreeuwend en bulderend achter zijn tralis te tieren om zijn reisgenoot. De vriend, kompaan die steeds mee reist en des avonds mee tussen de wol duikt. Zich trots aan de belofte houd om nooit weg te gaan in de donker. Belooft om de reisgenoot alleen te laten in de kamer. Nooit ergens alleen gelaten te worden. En toch is het gebeurd. Maar dat tot ongenoegen van de reisgenoten. Hij staat nog steeds te bulderen achter zijn tralies terwijl het water over zijn wangen stroomt. De troostende woorden die hem ingefluisterd worden door zijn meest geliefde levensgezel helpen niet. Noch van haar noch van haar man, ookal beloven ze zoveel goeds aan hem. Zijn reisgenoot moet simpelweg gevonden worden. Want hijzelf kan niet gevonden worden. Hij is op de plek waar hij moet zijn. Het duurt echter uren voor hij de slaap kan vatten. Te moe door al het huilen en schreeuwen. Net zoals de twee mensen die hem probeerde te troosten. In een wanhoopsdaad nog de wagen namen en zijn gaan zoeken. Maar helaas, ze vonden niet wat ze zochten en keerden zonder enig resultaat weer huiswaarts.
De reisgenoten lijken gescheiden te zijn voor het leven. Thuis volgen de slapenloze nachten zich op. Net zoals de eindeloze zoektochten naar het huis voor zijn reisgenoot. Het is echter niet simpel om als ruisgenoot naar huis te stappen als je beentjes zo klein zijn. Je geen neusgaten meer hebt en enkel in de nacht kan reizen. Tot het dan toch eens gebeurd. Op een dag is de wens om gevonden te worden vervuld. Helaas, de persoon dat je vind is al op pensioen, woont alleen en heeft een raar geurtje. Maar toch is het geen einde voor de reisgenoten. Het onverwachte en onverhoopte gebeurd. Wanneer er een klein papier met “gevonden” in de winkel komt samen met een polaroid foto. De reisgenoot staat er op, zijn puntige oren, pluizige vacht en witte staart. Hij ziet er wel vuil uit, maar herkenbaar. Zijn partner weet het helemaal niet. Pas in de late avond komt hij het te weten. Wanneer de zware deur thuis dichtval en de man die hij vader noemt de woonkamer binnenkomt. Een dramatisch weerzien, reisgenoten waardig. ’s Avonds keert de rust terug thuis, in de kinderkamer zijn de tralissen weer een bed van rust. De tanden knagen in de puntige oren terwijl het speeksel ongewild over het pluizige gezicht vloeit. In de slaapkamer van de ouders, wel daar heerst nu nog geen rust. Maar die rust zal een paar maand daarna wederom verstoord worden.

In het kasteel van de graaf heerst er nog steeds rust, want zijn reisgenoot in zijn leven is nog steeds aanwezig. Op een kast staat hij, versleten met heel zijn trotse lichaam te pronken. In de warmte van enkele kaarsen en toch veilig zodat hij mij niet snel zal verlaten. Maar toch gebeurd het wel eens dat je langs de kant van de weg een reisgenoot ziet liggen. De Graaf geeft toe dat hij deze laat liggen, maar pas op dit is echter met een reden. Wanneer er iemand opzoek gaat naar deze reisgenoot. Dan wil ik niet de persoon zijn die hem meeneemt van zijn vertrouwde plek….

Gegroet, De Graaf

 

 

Posted by Graaf Stultus at 21:39:41 | Permalink | Comments (9)

Tuesday, April 18, 2006

De raadsel snack

Wanneer ik als Graaf door het station loop richting perron sneuf ik de geur van warme wafels op. Met grote moeite hou ik het geld in mijn zak en loop ik de trappen op. Op het perron komt de waterdamp uit de mond. De koude knaagt aan mijn vingertoppen terwijl ik de mensen bekijk die op de trein wachten. En dan zie je hen soms zitten, hem of haar geslacht doet er niet toe! Stiekem kijk ik toe naar het meisje dat op de bank zit…

 

Ik vergeet de koude en hou haar in het oog. Of zei mij kan zien weet ik niet, ik denk toch van niet. De blik staart naar iets oneindig. Naar waar ze staart weet noch jij noch ik. De blik staart naar een bepaald punt al valt er niets te zien. Maar toch moet er iets te zien zijn. Hoewel hun bliek toch iets dromerig heeft. Je zou bijna gaan geloven dat ze rechtstreeks uit een amerikaanse reeks komt! Wanneer ze aan het raam staan van hun flat, een sigaret in de hand en met turende ogen door het venster. Maar neen hoor, ze roken niet! Ze knagen, of zo lijkt het toch. Hun blik is afwezig maar toch ook weer gefocust. Tot er iets is, waardoor ze eens oplijken. De ogen dwalen meteen over de vingers af.

Ik zie niets, zij wel. Ze herneemt haar actie en begint we te knagen, al is knagen geen geschikt woord. Zelf kijk ik eens bij mij maar ik pas toch. Iedereen loopt voorbij en sommige kijken. Ze kijken eens vragend en zoeken net zoals mij eens naar die plek waar naar ze staren. Het punt waar ze dan naar staren lijkt me echter wel iets wondermooi. Zo mooi dat ze zelf niets opmerken wanneer er iets rondom hun gebeurd. Misschien is het een kleine verslaving? Zoals kauwen op kauwgum of het roken? Misschien is het hetzelfde als kauwen op een balpen!? Maar je kan het niet kopen in de winkel, wat deze verslaving stukken goedkoper maakt. Je kan het misschien zelfs de goedkoopste verslaving noemen! Je kan het dan ook niet gaan kopen in de winkel. Buiten de metalen variant, maar dan nog. Als graaf heb ik nog nooit iemand in de wagen op een nagel zien knagen. Ik als graaf vroeg me al meermaals af wat er zo smakelijk aan is. Of is dat punt waar ze naar staren dan zo mooi? Misschien zal de toekomst het ooit in mijn oor gefluisterd. Al moet ik toegeven dat ik wel van wat mysterie hou.

Posted by Graaf Stultus at 22:37:05 | Permalink | Comments (1) »

Friday, April 14, 2006

Nightswimming

Een maagdelijk wit strand, met frisgeurende palbomen aan de kanten. Het klotsende water dat tegen de rotsen op kaatst terwijl je door het zand loopt. Zand dat veel te warm is aan de voeten. Waardoor je maar al te blij bent dat je op het groene gras kan gaan staan. Je vertoeft op een eiland, de naam lost-eiland waardig. Toch wanneer het aankomt op de schoonheid en los van de rariteiten. Wanneer je dan naar de zon kijkt merk je op dat de nacht veel sneller komt dan normaal. De koude neemt stillaan toe aan de voeten en gaat veel vlugger naar je lichaam dan anders. Op de achtergrond klinkt een Amerikaanse zanger die op zijn gitaar tokkelt. Dat allemaal wanneer je op een verlaten eiland zit? Je opent de ogen en kijkt voor je. De straatlamp gloeit hevig terwijl de maan de kamer wederom verlicht….

 

Als graaf trek ik me wel meer terug in een kamer waar de stilte de baas is. Afgezonderd van mens en dier, met enkel de muziek als vriend. Het raam gaat open en een frisse bries streelt het gelaad, dagdromen bij valavond. Ondertussen speelt de langharige rocker die al even het loodje heeft gelegd. Zijn neus nog wit van het witte lijntje, opgesnoven met zijn vriend, het rebelse nijntje. Wanneer ik daar dan zit in mijn royaale zetel dan betrap ik mezelf echter wel eens op het dagrdormen. Dromen over de kleine man met het grote schaap, de melk dat spot met de chocomelk. Van de grootste rariteit tot bittere ernst, dat allemaal op een nootje muziek. Soms lukt het dagdromen niet, maar luister ik enkel naar die noot muziek. Wanneer die muziek dan naast je komt zitten, dan zie je dat wel eens voor je. Al verklaar je me nu tot gek, soms zie je dingen voor je of toch ongeveer.

 

Wanneer je de noten bewandelt van de muziek hoor je de stemmen. Wanneer de zanger door je kamer loopt begroet hij jou. Bij mij begroet hij me waardig, zoals je een Graaf moet begroeten al zwijgt hij niet. Hij blijft zingen en hij vertroebelt geen enkel beeld dat je voor de ogen krijgt. Of beweer jij als lezer soms dat het onzin is? Zie jij dan niets voor de ogen? Tijdens een mooi lied zie je dan nooit die glimp van een herinnering? De herinnering van het raken van de lippen van je geliefde? Misschien was dat wel op dat nummer. Of de samenzang aan het kampvuur terwijl een nummer op de radio speelt? Of als kind, hoe je rond liep op dat ene vrolijke nummer. Het kippenvel gevoel dat weer opkomt wanneer je dat bepaalde nummer hoort. Dat ene nummer dat je kon raken op dat speciale moment. Je even alles doet vergeten ookal heb je geen zorgen. Hoewel dat je soms dingen ziet die je net niet wil zien. De mooie kant van de muziek wordt verdraaid tot een slechte kant al klinkt het nummer zo mooi. Je kan sommige beelden niet langer vergeten ookal zou je willen? Enkel en alleen dat nummer doet je er weer aan denken. En dat, dat allemaal in die kamer, net zoals bij de Graaf. Waar die kamer ook is, je hebt ze. De fantasie wakkert aan onder de glimlach van de maan, de koude van de nacht en het horen van de stilte. De stilte die enkel word doorbroken door het gezang van een zanger of zangeres. Je zweeft mee op de noten van de muziek en rolt de wereld van de fantasie in…

Posted by Graaf Stultus at 00:22:16 | Permalink | Comments (4)

Saturday, April 1, 2006

Staar

Mensen kijken, staren zowaar zonder enige vorm van schaamte. Ze wisselen noch een woord noch een blik. Wanneer je zelf staart kijken ze weer weg, met een bloedende neus. Alsof ze nooit hebben staan kijken laat staan staarde. Waarom ze staren, dat weten ze niet. Uit plezier, verveling, bemoeizucht? Of toch maar uit pure lust voor  die ene glimp. Een glimp van een raadsel, van het naakte vlees van jonge borsten of een geheim. Misschien gewoon uit plezier om dat stukje borst te zien, de rand van de BH. Maar toch doen ze alsof er niets geweten is…

Het staren stopt nooit, zelfs niet als je Graaf bent. Dan kijken de mensen meer, langer en vreemder. Wanneer je door de straten loopt in de gietende regen. Regendruppels over het aangezicht rollen en de schoenen nat aanvoelen. Ondertussen inspecteren ze je hele lichaam, wat je aan hebt en hoeveel het zou kosten. Terwijl je als graaf enkel kan rondlopen in de meest gepaste kledij voor elke gelegenheid. Al sta je voor de koning, de  gepaste kledij is dan het meest geliefde dat je kan doen. Die kledij aandoen, zwijgen en absoluut niet staren. Maar wanneer je dan staat te staan begin je vragen te stellen. Vragen over het staren, zou ik staren? Zou ik me wagen aan het gewaagde van het staren? Het ontdekken van het onbekende? Waarom men staart en wat er zo fijn aan is? Zou die nozem van een prins staren? Of is hij enkel  goed voor dom te lachen en met een schaar te knippen?

 Maar je staat daar dan, zonder een woord te zeggen. De prinses komt voor je te staan en evn twijfel je, staar ik? Neen, de prinses kijk je in de ogen, staren is niet beleefd. Maar wanneer je door de straten loopt na het feest, bemerk je jezelf dat je toch even staat te staren. Al is het naar dat groene verkeerslicht terwijl jij in de wagen zit

 

Posted by Graaf Stultus at 21:49:45 | Permalink | Comments (8)