La septième nuit
De laatste kaars dooft, ze vult de kamer met de geur van een kleine brand. Alleen de verdoken van maan in de sterrenhemel vult de kamer nu nog van licht. Het geeft de kilte weer aangevoerd door een koude. Dit allemaal terwijl ik een slok neem van een oude malt uit de schotse higlands. De doordringende geur van de gedoofde kaars vult de brandende smaak in mijn keel aan. Ondertussen neemt mijn partner plaats in de zetel en begroet hij me vriendelijk. Zoals hij behoort te doen als hij een graaf begroet.
Hij is de enige waarvan ik als graaf zeker ben dat hij me niet zal veraden. De karakterkop zal geen woord verder vertellen. Geen enkele klank zal veraden wat ik hem toevertrouw terwijl hij zijn borrel opdrinkt. IK verwacht ook niets anders van hem. Hij zal mijn woorden aannemen en aanvarden zonder me tegen te spreken noch beantwoorden. Hooguit eens goedkeurend knikken of een geluid van geluk doen klinken. Enkel van hem en hem alleen kan ik begrijpen dat hij dronken in de zetel zit. Al weet ik dat hij geen druppel zal drinken. Doch zit hij daar vaak met een kater terwijl ik mijn uitleg doe aan hem. Het leven van een graaf is hard, zeker het leven van een graaf als ik.
Wat kan ik meerverwachten van een raadsman tevens vriend. Iemand dat luisterd terwijl ik me luidop afvraag of Alex Calier van Hooverphonic overal zoveel gel zou hebben in zijn haar. Of beter, of hij overal waar hij haar heeft gel gebruikt? Doch zal hij ook niet lachen wanneer ik een van mijn typische fouten maak. Het enige wat ik hem kwalijk kan nemen dat hij met de staart tussen de benen wegloopt wanneer ik eens Sheba koop en geen Wiskas…